| Hoofdstuk 1 |
In de opvatting van de klassieke filosofie gold
dat de zin van het bestaan gelegen is in de vereenzelviging
van de mens met de natuur.
Het hoogste goed voor de mens is de deugd. De deugd bestaat
in de klassieke opvatting derhalve uit het leven overeenkomstig
de natuur. In de natuur is de Logos werkzaam, dus overeenkomstig
de natuur betekent eveneens overeenkomstig de in de kosmos geldende
wet.
De uitdaging van het bestaan is het bereiken van de hoogste
deugd, dat wil zeggen: het zoveel mogelijk zich richten naar
de natuur, waarbij met de natuur het natuurgebeuren wordt bedoeld
waarin de wetmatigheid door de logos (de rede of de wereldziel)
bepaald wordt.
De stelling in het boek is: een dergelijke opvatting over
de zin van het bestaan houdt in de moderne tijd geen stand
omdat het ervan uitgaat dat kennis over de 'natuur zelf' mogelijk
is. Dergelijke kennis over de natuur, die kan dienen als criterium
om te bepalen wat 'overeenkomstig met de natuur' is, is echter
niet voorhanden.
|